De verjaring van een restschuld na een hypotheek bedraagt in de meeste gevallen twintig jaar. Dat is de gewone verjaringstermijn die geldt voor vorderingen op grond van artikel 3:306 van het Burgerlijk Wetboek. De bank heeft dus twintig jaar de tijd om jou als voormalig huiseigenaar aan te spreken voor het bedrag dat na een gedwongen verkoop of onderhandse verkoop overblijft.
Dit is een onderwerp dat niet iedereen op de radar heeft. Wie zijn huis met verlies verkoopt en een restschuld overhoudt, gaat er soms van uit dat die schuld na een aantal jaar automatisch verdwijnt. Dat klopt niet zomaar. De exacte termijn hangt af van het type vordering en van wanneer de verjaringstermijn begint te lopen.
Welke verjaringstermijn geldt voor een restschuld hypotheek?
Het uitgangspunt is de algemene verjaringstermijn van twintig jaar (art. 3:306 BW). Die geldt voor vorderingen waarvoor geen kortere termijn in de wet staat. Een restschuld na een hypotheek valt hier in principe onder, tenzij er een specifieke uitzondering van toepassing is.
Er bestaat in het Burgerlijk Wetboek ook een bijzondere regeling in artikel 3:323 lid 3 BW. Die regeling biedt in sommige gevallen extra bescherming aan schuldenaren. Maar volgens een uitspraak die in februari 2026 werd besproken op cassatieblog.nl, geldt die extra bescherming niet meer zodra de hypotheek zelf al is afgewikkeld. Als de executie of verkoop heeft plaatsgevonden en de restschuld vaststaat als een gewone geldvordering, is er geen grond meer voor die bijzondere bescherming. Dan gaat de gewone termijn van twintig jaar gelden.
Wanneer begint de verjaringstermijn te lopen?
De verjaring begint niet automatisch op de dag dat je huis wordt verkocht. De termijn gaat lopen op het moment dat de schuldeiser (de bank) bekend is met zijn vordering én met de persoon die die schuld moet betalen. In de praktijk is dat meestal kort na de verkoop van de woning, wanneer de restschuld definitief wordt vastgesteld.
Dat klinkt als een lang veilig gevoel, maar let op: de verjaring kan worden gestuit. Stuiting betekent dat de termijn opnieuw begint te lopen. De bank kan de verjaring stuiten door een aanmaning, een brief of een rechtelijke procedure. Elke keer dat de bank jou schriftelijk aanmaant en die stuiting voldoet aan de wettelijke vereisten, begint de twintig jaar opnieuw. Een restschuld kan daardoor in theorie erg lang blijven bestaan.
Wat betekent dit concreet voor jou?
Stel: je huis wordt in 2015 gedwongen verkocht voor 180.000 euro, maar de hypotheekschuld bedroeg 220.000 euro. De restschuld is dan 40.000 euro. Zonder stuiting verjaart die vordering in 2035. Als de bank jou in 2020 een aanmaning stuurt die voldoet aan de wettelijke eisen, begint de termijn opnieuw en verjaart de vordering pas in 2040.
Het is dus niet verstandig om te rekenen op verjaring als bevrijding. De bank heeft er belang bij die termijn te stuiten en doet dat in de praktijk ook regelmatig, juist om de vordering levend te houden.
Verjaring is geen kwijtschelding
Een verjaring laat de schuld niet verdwijnen. Het recht van de bank om jou via de rechter te dwingen te betalen vervalt, maar de schuld zelf blijft in morele en soms ook praktische zin bestaan. Als jij vrijwillig betaalt na de verjaring, kun je dat bedrag niet terugvragen. Bovendien kan een verjaring gevolgen hebben voor je kredietregistratie zolang die registratie nog actief staat.
Wil je zekerheid over de status van jouw restschuld, dan is het verstandig om je te laten adviseren door een juridisch adviseur of schuldhulpverlener. Zij kunnen de correspondentie beoordelen en nagaan of er stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden die de termijn hebben verlengd.
Kort samengevat: de verjaring van een restschuld na een hypotheek bedraagt twintig jaar, de bijzondere kortere bescherming van art. 3:323 lid 3 BW geldt niet meer na afwikkeling van de hypotheek, en die termijn kan door de bank steeds opnieuw worden gestuit. Reken er dus niet op dat een restschuld vanzelf verdwijnt door stilzitten.
